arch/ive/ief (2000 - 2005)

De onmacht van de vredesmacht in Congo
by Marijke Welvaert Sunday, Jul. 10, 2005 at 12:50 PM

De vredesmacht van de NV in Congo, een operatie die de internationale gemeenschap elk jaar 600 miljoen dollar kost, is weinig efficiënt. Vorig jaar bij de oorlog in Bukavu, toen de troepen van Nkunda plunderden, vrouwen verkrachtten en moordden, keek de Monuc machteloos toe.

ALS DE MONUC NIET BESTOND ZOUDEN DE CONGOLEZEN HET RISICO NIET NEMEN OM DEZE UIT TE VINDEN


Indien de MONUC (Mission d’Observation des Nations Unies en République Démocratique du Congo) niet bestond, zouden de Congolezen deze liever niet uitvinden. De Monuc die men eerder passiviteit en partijdigheid verwijt, kortom hypocrisie, beantwoordt niet aan de verwachtingen. De aanwezigheid van de Monuc, door de bevolking omgedoopt tot “Mission d’observation des cadavres”, wekt veel controverse.


De resolutie 1291 van 24 februari 2000 van de Veiligheidsraad van de VN gaf het ontstaan aan de Monuc en omvat het houden van toezicht op de uitvoering van het staakt-het-vuren, controle op de ontplooiing van militaire troepen, vervoer van hulpgoederen, toezicht op de mensenrechten. Met de resolutie van 1493 van 28 juli 2003 werd het mandaat uitgebreid met ‘chapitre VII’ dat de blauwhelmen toelaat wapens te gebruiken . Dit laatste werd verbijsterend genoeg aangewend toen in juni 2004 inwoners van Kinshasa woedend hun ontevredenheid over de Monuc uitten. De stad Bukavu was in handen gevallen van de rebellen van Nkunda en Mutebusi, terwijl de soldaten van de Monuc wezenloos toekeken. Aan de hoofdgebouwen van de Monuc in Gombe, het chique deel van Kinshasa, werden ongeveer vijftien voertuigen van de VN in de fik gestoken. Toen betogers de gebouwen wilde bestormen werden ze onthaald op een kogelregen, er vielen drie doden. “De Monuc doet niets, ze verspilt alleen maar geld”, klagen de geldwisselaars in deze buurt. “We zien ze enkel rondrijden in dure auto’s.” Nochtans kost deze peperdure operatie van de VN elk jaar 600 miljoen dollar aan de internationale gemeenschap.

Men kan zich terecht afvragen waartoe dit alles dient: een enorm gebouw van vijf verdiepingen met enkel administratie en kantoren van de Monuc en dit voor een oorlog in het oosten van het land, op meer dan 1000 km van Kinshasa. Elke VN-expat beschikt er over een gloednieuwe computer en bijhorigheden en strijkt een loon op tot 7000, 8000 $ per maand. Inmiddels gaan Congolese ambtenaren hun karig loontje ophalen in de bank BIAC of in de post: nauwelijks 12000 tot 13000 CF (25 Euro). In sommige volkswijken zit tot één derde van de kinderen niet op de schoolbanken: van de school weggejaagd omdat de ouders de ‘minerval’, het schoolgeld niet kunnen betalen: 5000 tot 15000 CF per trimester tot 65 $ in dure scholen. De directeur van een lagere school moet het rooien met 15000 CF per maand. In de verpauperde volksbuurten moeten vele kinderen het stellen met slechts één maaltijd per dag. Terwijl langsheen de rue Poids Lourds in de volksgemeente Limite (de miljoenenstad Kinshasa bestaat uit 24 gemeenten) het immense wagenpark van de Monuc staat geëtaleerd, gloednieuwe terreinwagen en bussen met airconditioning, wringen de Kinois zich tijdens de spitsuren in overvolle krakkemikkige minibusjes en versleten taxi’s.‘Monique’ wordt de Monuc spottend genoemd. Een vrouwennaam omdat de blauwhelmen bang zouden zijn van wapens, bang om te vechten en alleen maar zouden toekijken.


Seks voor één dollar

Wegens de oorlog mogen de blauwhelmen en andere VN-medewerkers de partner of familie uit het thuisland niet meebrengen, wat de NV noopte tot het opstellen van een rigide gedragscode (circulaire 2001/15) om seksueel misbruik te voorkomen. Zo is het hebben van seks met personen onder de 18 jaar streng verboden, evenals het uitwisselen van geld of goederen in ruil voor seks. NV personeel mag zich ook niet begeven in bars of nachtclubs waar prostituees hun diensten aanbieden. Hoewel overal in de VN-gebouwen, zowel in Kinshasa, Bukavu, Goma, als in Kisangani, deze circulaire opvallend is aangebracht, zijn er misbruiken. Een NV-medewerker uit Kosovo had een vrouw meegelokt in zijn appartement op honderd meter van het protestants onthaalcentrum in Kinshasa, haar gedrogeerd met heroïne en haar gedongen tot seksuele handelingen waarvan Afrikaanse vrouwen niet houden. ’s Anderendaags legde de vrouw klacht neer bij de politie. De Kosovaar werd twaalf uur in de cel opgesloten en daarna overgedragen aan de VN die disciplinaire maatregelen zou nemen. Het nieuws op de nationale zender, RTNC, berichtte over dit seksueel misbruik. “Ze komen zogezegd om de republiek te verdedigen, maar ze verkrachten onze vrouwen”, voegde de vrouwelijke nieuwslezer er aan toe. “Die vrouwen hebben geen keuze, als ze willen eten, accepteren ze seks voor slechts één dollar.” 72 mannen, afkomstig uit Tunesië, Marokko, Zuid-Afrika, Frankrijk, Uruguay en Nepal werden beschuldigd in een rapport opgemaakt door de VN. Voor de andere aanklachten was er een gebrek aanbewijzen.

Oorlog in Bukavu

Het VN vliegtuig richting Bukavu (Zuid-Kivu), een Boeing 727, is slechts voor één vierde bezet. Een man uit Tanzania, ‘security’ staat er op zijn badge van de VN , vliegt voor een opdracht naar Kisangani: het beveiligen van een hoge VN ambtenaar. Hij geeft grif toe dat hij zomaar 8000 dollar per maand opstrijkt en zit er ontspannen bij als een rijke toerist met een dikke geldbeugel op de buik. Hij heeft er al zes van de negen maanden dienst opzitten. “Dit is mijn levensverzekering”, erkent hij. Voor zijn appartement in een volkse buurt in Kinshasa betaalt hij slechts 300 dollar zodat hij er naar Afrikaanse maatstaven een fortuin aan overhoudt. De luchthaven van Bukavu is ook al een VN-bastion, verborgen tussen de vliegtuigen en helikopters van de van de VN staat nog een vliegtuig van Hewa Bora.

Op 26 mei ’04 ontketende de dissidente kolonel Jules Mutebusi , die in maart was geschorst, oorlog tegen het regeringsleger, militairen getrouw aan de commandant van de 10de divisie. Mutebusi kreeg versterking vanuit Goma van de generaal Laurent Nkundabatware. Ook hij weigerde te integreren in het eenheidsleger van de overgangsregering en vertikte het om naar Kinshasa komen voor zijn eedaflegging. Beiden hardliners uit de rebellenbeweging RCD-Goma (Rassemblement Congolais pour la Démocratie) staan onder invloed van Rwanda. In Ruzizi , Kahele, Bukavu, Goma en Rwanda bereidden ze hun coup voor. Op geheime plaatsen in Bukavu en omgeving hadden ze wapens verborgen en in verschillende centra werden rekruten opgeleid. Twee weken lang was Bukavu in de tang van de gruwel van de milities van Nkunda en Mutebusi: moordpartijen, verkrachtingen, plunderingen, brandstichting. Inmiddels keek de Monuc machteloos toe. De bevolking beschuldigde de Monuc van medeplichtigheid met Rwanda omdat ze de milities zou hebben doorgelaten door de bufferzone rond de luchthaven. Ziedende inwoners van Bukavu bekogelden daarom de VN-soldaten en hun voertuigen met stenen Pas toen het bericht doorsijpelde dat er ook blanke vrouwen werden verkracht, begon de Monuc bemiddelingspogingen. Uiteindelijk gaf Nkunda, die toegaf ‘zich vergist’ te hebben, de bezetting van Bukavu op. Hij trok zich terug in Minova (op 50 km van Goma). Generaal Mutebusi vluchtte naar Goma..

De mensenrechtenorganisatie in Bukavu ,‘Heritiers de la justice’, maakte de balans op van de oorlogsmisdaden begaan tussen 26 mei en 9 juni ’04. Niet minder dan 102 meisjes en vrouwen tussen vier en vijftig jaar werden verkracht door militairen van Nkunda en Mutebusi. Een meisje van vijftien, thuis verkracht door tien soldaten, stierf op weg naar het ziekenhuis. Milities van Mutebusi verkrachtten ook twee blanke vrouwen van rond de dertig, expats die werkten voor de NGO War Child. Een van de vrouwen werd zwaar gewond aan de knie toen ze zich wou verzetten tegen haar twee aanranders, terwijl hun kompanen buiten op de uitkijk stonden. Ze gingen aan de haal met haar GSM, Motorola en 2000 $. Een Britse in dienst van OCHA (coördinatiebureau humanitaire zaken van de VN) werd verkracht door vijf Rwandezen. Er wordt verteld dat ze nadien zelfmoord zou hebben gepleegd. 48 mensen werden vermoord, geviseerde personen op een lijst: politici, journalisten, zakenlui. Tal van vrouwen die weerstand boden tegen seksueel misbruik kregen de genadekogel, anderen stierven door verloren kogels. De centrale markt, Kadutu, werd in brand gestoken en vakkundig geplunderd . Vele winkels, bierdepots, het depot van de Wereldvoedselorganisatie en telecommunicatiewinkels van Vodacom en Supercell werden leeggeroofd. De buit ging vooral richting Noord-Kivu, waar Rwanda via het ex-RCD de touwtjes in handen houdt. (Het RCD zit sinds het vredesakkoord van juni 2003 mee in de eenheidsregering.)

Maanden later liggen in het algemeen ziekenhuis van Bukavu nog steeds gewonden in de dienst intensieve zorgen, evenals vrouwen die na de afschuwelijke verkrachting met een stok of een mes geen vagina meer hebben. Vaak werden de eigen kinderen gedwongen om toe te kijken terwijl hun moeder werd verkracht. Verkrachting als oorlogswapen: via de vrouw wil men de man raken, een poging tot vernietiging van het sociaal en economisch weefsel. In een ander gebouw ligt een tiental cholerapatiënten aan het infuus. Buiten zitten meer dan twintig cholerapatiënten. Ze smeken om geld voor een baxter. Eén baxter kost twee Euro, maar zo zijn er dertig nodig. Wie geen infuus krijgt, zal gewoon sterven. Nauwelijks zestig euro is het verschil tussen leven en dood. Dit terwijl er een vaccin bestaat tegen cholera, maar de oorlog is een streep door de rekening van vaccinatieprogramma’s. In ’98 was door de regering van wijlen Kabila een vaccinatiecampagne tegen polio op touw gezet. Tien miljoen kinderen onder de vijf jaar zouden worden gevaccineerd. De vaccins werden echter vernietigd toen de rebellen de Inga-dam saboteerden en Kinshasa beroofden van elektriciteit. De aanvalsoorlog sinds ’98 en de indirecte gevolgen zoals het ontbreken van medische zorg, velden die niet kunnen bewerkt worden, voedsel dat niet kan worden getransporteerd omdat er geen wegen zijn zou reeds meer dan meer dan vier miljoen dodelijke slachtoffers hebben gemaakt.

Interahamwe

Katana, op, ongeveer 45 kilometer van Bukavu, en, tien omliggende dorpen waaronder Walungu en Kaniola worden geteisterd door Interahamwe. Ze houden zich schuil in het park Kahuzi-Biega waar ze, volgens de student die me vergezelt, in goed georganiseerde tentenkampen huizen. Ze exploiteren er hout en goud evenals coltan uit Numbi, dat wordt verhandeld via Tanzania. Voor de rest maken ze de omgeving onveilig door nachtelijke invallen: dan bonken ze op de deuren en dwingen de mensen om alles af te geven: geld, eten, kleren , de varkentjes in een kooi met hangslot. Loslopende kippen, geiten en koeien worden meegezeuld Vrouwen durven hun velden niet gaan bewerken uit schrik om verkracht te worden. Zo wordt een sfeer van psychologische terreur gecreëerd. De Monuc heeft in Walungu wel een opvangcentrum, maar doet verder enkel aan observatie.
“Dit zou het paradijs kunnen zijn , ware er niet die oorlog”, zucht een tachtigjarige pater uit Doornik. Het prachtig uitzicht vanuit zijn missiepost in Katana oogt inderdaad paradijselijk..
Maar de nasleep van de genocide in Rwanda in ’94 houdt het oosten van Congo al ruim tien jaar in de houdgreep van zinloos geweld. In mei ’94 zorgde de Franse ‘Opération turqoise’ voor een toestroom van ruim een miljoen Rwandezen via Bukavu. Velen bezweken in de vluchtelingenkampen. Van de overlevers keerde inmiddels het overgrote deel terug naar Rwanda onder meer met behulp van het HCR, het vluchtelingenprogramma van de VN. Interahamwe en ex-Far (Forces Armées Rwandaises) echter, uitvoerders van de genocide willen niet terug en overleven door plunderpartijen, grondstoffenroof en het zaaien van terreur. Een harde kern wil enkel gewapend terug en zou geregeld aanvallen uitvoeren op Rwandees grondgebied, een alibi voor president Kagame om z’n rekruten naar de onrustige Kivu te sturen.

Strafexpeditie

De Rwandese president Kagame, liet in ’96 bisschop Munzihirwa vermoorden. Hij had het aangedurft om te prediken dat de Rwandese vluchtelingen beter zouden terugkeren. “We hebben de Rwandezen goed ontvangen en eten gegeven, nu is het tijd dat ze vertrekken.” De bisschop ging de zaak zelfs bepleitten bij Kofi Annan maar bekocht dit echter met zijn leven. Hij werd in een hinderlaag gelokt toen hij zich naar Rwanda begaf. Er werd een kogel door zijn hoofd gejaagd en zijn lichaam werd in de elektriciteitsdraden van de SNEL gegooid. De Witte Paters in Bukavu beweren de telefonische bewijzen te hebben dat de brutale moord gebeurde in opdracht van Kagame. In het voorjaar van ’97 waren er massamoorden in de vluchtelingenkampen van onder meer Biaro , zowat 40 000 Rwandezen werden gedecimeerd. Destijds poogde de internationale gemeenschap deze slachtpartijen in de schoenen te schuiven van toenmalig oprukkend rebellenleider, Laurent Kabila. Witte Paters in Goma, die na veertig jaar aanwezigheid het gebied door en door kennen, brachten uit dat deze slachtpartijen vanuit Rwanda werden gedirigeerd door Kagame. Ze wisten precies waar en door wie deze moorden werden uitgevoerd. Maar dit is hen zuur opgebroken. Als revanche zond Kagame een strafexpeditie naar het provinciaal huis van de Witte Paters in Goma met als enig doel: terreur. Twee paters, iemand uit Limburg en een pater uit Frankrijk evenals twaalf Congolese seminaristen werden hardhandig aan een stoel vastgebonden en tot bloedens toe geslagen. Het huis werd nodeloos beschadigd en geplunderd.
Swing en Rwanda
“De rol van Amerika is erg dubieus”, zegt een student me op de ‘Veronique express’ van Bukavu naar Goma, als de boot het uitgestrekte eiland Idjwi midden in het immense Kivu meer langzaam voorbijschuift Op het eiland is een grote Amerikaanse legerbasis met talrijke boten, helikopters, vliegtuigen, terreinwagens. “Ze zijn hier zogezegd om de activiteiten van de Monuc te ondersteunen’, vervolgt de student. Men vraagt zich af aan welke kant de Monuc staat en de rol van de Monuc baas, de Amerikaan William Lacy Swing is op z’n minst omstreden. “Swing is een moordenaar”, oppert de receptionist van hotel Bird in Goma. “Telkens als hij naar Rwanda gaat, breekt er kort daarop ergens een oorlog uit in Congo.”

De grond in Goma is nog zwart van de vulkaanuitbarsting vorig jaar. Het huis van de jonge receptionist werd toen onder de lava bedolven en vernietigd. Met eigen krachten en middelen is hij nu een nieuw huis aan het bouwen. De huizen in de arme buitenwijken zijn grotendeels van hout. Om de zoveel jaar kookt de Niyarongo vulkaan immers over en moet zowat alles heropgebouwd worden. Congo onderging de laatste tien jaar tientallen Tsunami’s, maar de internationale gemeenschap kijkt de andere kant op. De VN is er wel alom tegenwoordig maar munt uit in inefficiëntie en onverantwoorde geldverspilling. Een hoogblonde Zweed houdt vakantie in hotel Karibu in Goma, een paradijselijk oord aan het Kivu meer. Hij is piloot bij de Zuid-Afrikaanse luchtvaartmaatschappij ‘Federal Air’ en werkt in opdracht van de Monuc. Afgelopen maand vloog hij slechts drie uur, hoewel hij wordt betaald voor negentig werkuren. Het Zuid-Afrikaanse ‘Executive Turbine’ vliegt in opdracht van het Wereldvoedselprogramma van de VN driemaal per week van Goma naar Kinshasa, met een vrijwel lege Fokker. “De Monuc doet enkel de prijzen stijgen van de huizen en de prostituees in Goma “, gaat het rond. De prijzen gaan inderdaad de hoogte in evenredig het aantal VN-wagens voor het hotel of de bar: ruim twee dollar voor een biertje. Opgedirkte jonge vrouwen drentelen rond de VN- mannen in de ijdele hoop dat ze de dollars laten rollen, vaak enkel om hun studies te kunnen bekostigen.

Minova

De minibus slingert zich omhoog doorheen een idyllisch landschap langsheen het Kivu meer, richting Masisi. Aan de barrière ter hoogte van Sake (Noord-Kivu) patrouilleren vijf Rwandese soldaten. ’t Zijn Rwandezen”, sist de chauffeur. Twee rekruten met een typische Tutsi fysionomie controleren nauwgezet de papieren en bagage van alle passagiers. De twee voorlaatste barrières zijn in handen van Maï-Maï. De handtassen worden gefouilleerd, brieven worden open gescheurd en gelezen. Niets ontsnapt aan het oog van de Maï-Maï soldaten net voor het binnen rijden van Minova (Zuid-Kivu), dat belegerd wordt door de tiende brigade van het Congolese leger, de FARCD. Vluchtelingen uit meer dan tien omliggende dorpen zoeken er hun toevlucht na invallen, plundertochten en verkrachtingen door gewapende bendes, hier gemeenzaam ‘rwandophones’ genoemd. De situatie is erg verward, men vlucht maar eigenlijk weten de mensen niet altijd voor wie. “We weten niet wie onze vijand is”, vertrouwt een oude man in Minova me toe. Wel blijkt het, volgens de plaatselijke bevolking en media, vaak te gaan om Interahamwe waaronder zich Rwandezen mengen die van over de grens komen. Het Congolese leger verdedigt de bevolking tegen de invallen, maar gaat niet zelf in de aanval. Het spreekt vanzelf dat die soldaten hun leven niet op het spel zetten voor een soldij van nauwelijks 5 000 CF ( 10 Euro) per maand. Veel vluchtelingen, ‘déplaces’, gaan overdag naar hun dorpen om er de velden te bewerken en keren dan terug naar Minova om er veilig te overnachten. Hun vee hebben ze al langer in veiligheid gebracht, zoniet wordt het gestolen en opgegeten door Interahamwe in hun ‘overlevingsstrijd’. Ze durven niet terug naar Rwanda uit vrees voor represailles en zouden zich ophouden in Ruzizi van waaruit ze dorpen terroriseren. Bweremawa op enkele kilometers van Minova is gedeeltelijk verlaten, hier en daar lopen er kinderen of is een vrouw de was aan het doen terwijl er soldaten patrouilleren. De chauffeur van het busje, zelf van Bweremawa, beweert dat het Rwandezen zijn en dat ze het dorp bezetten. Zelf durft hij er ook de nacht niet meer doorbrengen. In november werd het dorp aangevallen en een week lang geteisterd. “Het Congolese leger kon de Rwandezen niet de baas en de aanvallers zijn gebleven”, vertelt de chauffeur gelaten. « De Monuc is toen twee keer tien minuten langs geweest, om te kijken en om vragen te stellen”, voegt hij er bitter aan toe. “Ze telden de doden, vijf, en het aantal verkrachte vrouwen, 133”. “Ze komen aangereden, stoppen op een bepaalde plaats, stappen uit en rijden dan weer weg”, uit een vrouw haar ongenoegen over de Monuc die volgens haar niets doet.

Of die mannen uit Bangladesh, Pakistan, India, Indonesië, Uruguay in de Afrikaanse brousse veel kunnen uitrichten valt te betwijfelen. De voertaal van de Monuc is Engels, maar veel VN-soldaten spreken die taal nauwelijks, laat staan Frans of Swahili. Een blauwhelm uit Bangladesh was drie maanden in Mulungu (Noord-Kivu) als ‘observator’, waar hij slechts één dode heeft gezien. Daar zijn gevechten tussen het regeringsleger en de FDLR (Forces Démocratiques pour la Libération du Rwanda), Hutu-milities die gewapend naar Rwanda willen terugkeren. De blauwhelm, die erg gebrekkig Engels spreekt, verdient zomaar 130 dollar per dag. Na een schermutseling komen die observatoren ter plaatse om een rapport op te maken. Met Congolese tolken uiteraard. “We patrouilleren steeds met Congolezen die ons ook de weg tonen, zonder hen waren we verloren”, zegt de man uit Bangladesh.
Bovendien lijkt de situatie ter plaatse soms een wespennest. “Als er gevochten wordt, weet men niet steeds wie tegen wie vecht”, zegt een Congolese journalist die al twee jaar werkt voor radio ‘Okapi’, de radio van de Monuc. “De Banyamulenge spreken Kinyarwanda, net als de Rwandezen.” Hij heeft het over invallen van Hutu rebellen waaronder zich soms Rwandese militairen mengen, gesteund door Rwanda. Met zijn loon als contractueel van 800 dollar is hij beter af dan vele Congolese dagloners die het moeten stellen met 80 tot 170 dollar.

Kisangani

“Deze missie is een kans om mijn situatie te verbeteren”, geeft bauwhelm Ramirez uit Urug uay toe. In Uruguay werkt hij bij de politie voor 300 dollar per maand, met de 2000 dollar die hij hier verdient, gaat hij zijn huis renoveren. De hele maand oktober was hij in Walikale waar er confrontaties zijn tussen de FDLR en de FARCD, het Congolese leger. De bevolking geeft voedsel en geld aan beide kampen om zich te beschermen. In andere dorpen wordt beschermingsgeld betaalt aan degenen die er de plak zwaaien. De Mai- Mai milities lopen gewoon over naar het kamp dat hen het beste uitkomt. Als de observatoren via tolken onderhandelingen voeren met de FARCD en FDLR worden ze extra beschermd. “Met tanks en gewapend met geweren, mes en graten”, legt Ramirez uit. Hij omschrijft de situatie als rustig en heeft er verbroederd met de bevolking die hem een mondvol Swahili heeft aangeleerd.
De basis van de Monuc in Kisangani beschikt over een enorm voertuigenpark en dito garage, gelegen aan de Congo stroom. Met zeven gloednieuwe Monuc boten worden hulpgoederen en eten getransporteerd naar de dorpen. De mariniers uit Uruguay zagen enkel mensen vechten om voedsel. Tijdens de vlucht naar Kinshasa studeren twee Congolezen, die werken voor de ‘politieke sectie’ van de Monuc, ijverig hun cursus ‘English at the UN’. Na een examen Engels kunnen ze promotie maken en zo hun salaris van 2000 dollar nog wat aandikken. “Het is ons door de Monuc verboden om over politiek te praten”, steekt de vrouw van wal. Ze was in Bunia en hoorde er enkel sporadisch wat geweerschoten. In Bunia bestrijden zeven groepen, waarvan sommige gelieerd zijn aan Oeganda, elkaar en controleren elk een territorium: Aru, Mahagi, Kpandroma, Kaseyni, Bunia, Djugu en Beni. “Het is erg complex, we begrijpen het zelf niet”, zegt de dame daarover. “Elk zoekt z’n eigen belangen, mensen uit de administratie sluiten allianties, sommige mensen lopen over of spioneren. Men is uit op het exploiteren van de bodemrijkdommen en heft taksen.” Bij schermutselingen houdt de Monuc zich totaal afzijdig. Over het contingent Congolese soldaten dat in België werd opgeleid en nu gestationeerd is in Bunia, is men wel opgetogen. “We pogen om te bemiddelen tussen de groepen, zonder resultaat echter”, zucht de dame. Wel worden er soms strijders van die groepen voor het tribunaal in Bunia gedaagd. Intussen blijven de boeren in Bunia en Uturi, zitten met de oogst van koffie, bonen, tomaten en aardappelen die niet kan verhandeld worden.

Een vluchtelinge uit Uturi oppert dat de Monuc zich beter zou terugtrekken. “Door de aanwezigheid van de Monuc en het wapenembargo kunnen we niets doen, dit verhindert ons om ons te verdedigen. De Monuc komt enkel de lijken en verkrachtingen tellen”. De blauwhelmen werden er omgedoopt tot ‘un sur dix‘, slechts één dollar zouden ze betalen voor seks van één vrouw met tien blauwhelmen. Verder beweert de vrouw dat de Rwandezen er reeds 24 dorpen, waarvan de inwoners werden gedood of wegvluchtten, hebben ingenomen.

Verwachtingen niet ingelost

“De Monuc maakt een klein verschil”, zegt een pastoor die net uit die streek terugkomt. “Maar we hadden véél meer verwacht.” De miljardenstroom van geld en middelen van de internationale gemeenschap in overweging genomen, is het resultaat inderdaad pover, zonder dat er wezenlijk iets verandert. Nochtans is de Monuc één van de grootste vredesoperaties van de VN ooit. Kagame en de Monuc baas, Swing, wierpen elkaar de hete aardappel toe. Kagame twijfelt aan de doeltreffendheid van de Monuc wat betreft de vrijwillige repatriëring van Interahamwe naar Rwanda. Swing verweet hem: ”U hebt vijf jaar Oost-Congo bezet zonder er maar één te hebben gerepatrieerd.” In Goma circuleren auto’s met Rwandese nummerplaat of zonder. Op het front in Kanyabayonga (december) vielen Rwandese doden en tal van gewonde Rwandese rekruten werden opgenomen in het ziekenhuis. Daar is sinds 21 december een bufferzone opgeworpen door de Monuc, een veilige zone voor de inwoners en om de vechtende partijen uit elkaar te houden: opstandelingen, Rwandagezinden van het ex-RCD, die rebelleren tegen de hiërarchie van het Congolese leger en openlijk zouden gesteund worden door het Rwandese leger. Men beschuldigt de Monuc ervan de FARCD tegen te houden om de muiters te bestrijden terwijl de grens wordt opengelaten voor troepenbeweging vanuit Rwanda. Analisten vrezen dat Kanyabayonga de facto de verdeling van de provincie Oost-Kivu betekent en de extensie van Rwanda. Boeren in Rutshuru herkennen de Rwandese soldaten aan hun plastieken botten. Er zijn drie vluchten per week tussen Walikale en Kigali met coltan en andere mineralen. Met de opbrengst ervan verrijzen in Kigali nu paleizen. President Kagame zelf heeft een boerderij in de buurt van een goudmijn niet ver van Minova


Koloniale rekening

Inwoners van Bukavu richtten een petitie tot de Monuc baas, de HCR en de Congolese president om werk te maken van de repatriëring van de Interahamwe en ex-FAR , een eis eveneens geformuleerd in een memorandum (november ’04) van het coördinatiebureau van de ‘société civile’ van Zuid-Kivu. Een Franse pater meent dat oorlog zonder gespierd optreden nog twintig jaar kan duren en pleit voor ‘een gezamenlijke actie van Monuc en de FARCD waarbij de gebieden waar Interahamwe zich schuilhouden worden omsingeld en deze worden opgepakt en het afdwingen van een onderhandelde oplossing van Kagame.’ Maar dit vergt de werkelijke toepassing van ‘hoofdstuk 7’ van de VN-Veiligheidsraad én de werkelijke wil van de door de Amerikanen gedomineerde Monuc om de oorlog te beëindigen. Men kan natuurlijk de tijd z’n beloop laten en wachten tot alle Interahamwe uitgestorven zijn, maar tegen dan zou een deel van de Kivu wel eens (terug) tot het Rwandese grondgebied kunnen behoren. In ’96 circuleerde een pamflet waarin stond dat Rwanda vast besloten was om een deel van de Kivu aan te hechten. Het deel dat tot voor de conferentie van Berlijn in 1885 tot Rwanda behoorde. Zoals het nu is, lijkt het erop dat president Kagame op termijn onder het toeluikend oog van de Monuc deze verborgen agenda zal bewerkstellingen en een koloniale rekening zal vereffend worden. Iets waar Congolezen zich niet zomaar zullen bij neerleggen. Een consortium van Congolese NGO’s richtte zich in een verklaring tot de internationale gemeenschap opdat de territoriale integriteit zou behouden blijven en dringt daarom aan op de toepassing van ‘Chapitre 7” van het charter van de VN dat de Monuc het mandaat geeft tot een krachtig militair optreden. Ditzelfde consortium (Synergie des ONG à Kinshasa) vraagt ook de terugtrekking van Swing als hoofd van de Monuc. De oppositiekrant ‘Le libre débat’, noemt William Swing smalend de ‘president van de RDC’ en ambassadeur van de VS . Men verdenkt hem ervan om Rwanda het oosten van Congo, het ‘eldorado’, af staan volgens een plan dat de Amerikaanse belangen behartigt . Agenten van de Rwandese militaire inlichtingendienst zouden volgens de krant rondrijden in VN-wagens. In december zou in Bukavu een munitie-en wapendepot zijn ontdekt in de residentie van de Rwandees die Swing zou opgedrongen hebben als vice-gouverneur van de provincie Zuid-Kivu. De Monuc ontkende de aantijgingen staalhard in een communiqué en verzekerde dat er geen enkele Rwandees deel uitmaakt van het militair- of burgerpersoneel van de Monuc.

Inmiddels zijn er speculaties rond een mogelijk aftreden van William Swing. Sommige bronnen zijn ervan overtuigd dat het opzet om Swing te nopen tot ontslag van de VS zou komen. Zolang een Amerikaan aan het hoofd staat van de MONUC is het politiek gezien vanuit Washington moeilijk om de ijveren voor de afbouw van deze erg dure en als weinig efficiënt ervaren vredesmissie. De VS zouden deze willen afbouwen en herleiden tot zijn militaire essentie. Als mogelijke opvolger wordt vanwege Europese MONUC-bronnen gepleit ten gunste van Aldo Ajello, Speciaal Vertegenwoordiger van de EU voor het Grote Merengebied.

De formule één plus vier (één president en vier vice-presidenten) werkt niet en de bevolking wil echt af van deze geldverslindende monsterformule. De verkiezingen zijn uitgesteld tot een nader te bepalen datum en eens te meer worden de Congolezen, naar eigen zeggen, gegijzeld door hun politici. Het politieke klimaat in Kinshasa is momenteel beneden nul, men vreest voor rellen. President Kabila kan geen enkele kant uit in zijn beleid dat wordt overheerst door disputen met ex-krijgsheren zoals Azarias Ruberwa (nu RCD-Kinshasa) en Bemba (MLC). Vice-president Z’Ahidi Ngoma, was woordvoerder van de rebellie die in ‘98 de wapens opnam tegen vader Kabila die toen zoon Joseph Kabila aanstelde als stafchef van het leger, terwijl toenmalig kabinetschef, Yerodia Abdoulaye Ndombasi, opriep (in eerder ophitsende bewoordingen) om Kinshasa te verdedigen tegen diezelfde rebellen. Toch een kluwen dat bij de bevolking op veel onbegrip stuit. Enkel huidig president Kabila kan nog op enig begrip rekenen: “C’est le moindre mal”, luidt het.

Marijke Welvaert