arch/ive/ief (2000 - 2005)

Vanop de zijlijn
by Ann De Craemer Monday, Feb. 14, 2005 at 8:53 PM
anndecraemer@gmail.com

In schril contrast met Nederland moet Vlaanderen de allochtone literatuur nog ontdekken. Hoog tijd om het werk van een van de meest succesvolle immigrantenauteurs de belichten: Kader Abdolah, Iraans-Nederlands succesauteur en columnist bij de Volkskrant.

Vanop de zijlijn

Zes maanden en drie woordenboeken. Dat had hij nodig om zich door Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt te worstelen. Toen hij het boek uithad, klopte hij met een ruiker bloemen bij haar aan: 'Dag mevrouw! Ik ben Kader Abdolah.' 'Wie?' 'Niemand, eigenlijk een schrijver op de vlucht.' De geestelijke moeder van Nederlands twee bekendste kleuters had hem het mooiste geschenk gegeven dat hij zich kon dromen. Ze bracht hem liefde voor de Nederlandse taal bij, en de hoop het in de Nederlandse literatuur van niemand tot iemand te brengen.

In 1985 moest Kader Abdolah om politieke redenen zijn vaderland Iran ontvluchten. Hij kwam in Nederland terecht, waar hem één doel voor ogen stond: zijn schrijverschap heroveren. Vijf jaar na zijn aankomst verscheen in 1993 zijn debuut De adelaars. Sindsdien heeft Abdolah stormenderhand een eigen plaats veroverd in het Nederlandse literaire landschap. Zijn werk viel herhaaldelijk in de prijzen, en in 1997 werd hij ook columnist bij de Volkskrant.

Abdolah vond als dakloos auteur opnieuw huisvesting, maar zijn schrijverschap heeft wel een andere dimensie gekregen. In Iran was hij een Perzisch auteur. In Nederland werd hij een schrijver tussen twee culturen.
Het afgelopen decennium hebben allochtone auteurs in Nederland hun positie in de marge van het literaire bedrijf geruild voor een plaats in de schijnwerpers. De Nederlandse samenleving is multicultureel geworden, en daar is de migrantenliteratuur een exponent van. 'De Nederlandse samenleving is aan het veranderen', schrijft Abdolah. 'Ook de hemel, de aarde, de straten, de ramen, de deuren, de mannen en vrouwen, de bomen en de vogels van de Nederlandse literatuur zijn aan het veranderen. Er rijzen bergen op in de polders en de dijk loopt door de woestijn.' In het licht van de dijkbreuk die migrantenauteurs in Nederland hebben veroorzaakt, is het ontbreken van een Vlaamse allochtone literatuur een opvallend gegeven. Waar zijn de Vlaamse Kader Abdolahs, Abdelkader Benali's en Hafid Bouazza's? Terwijl laatstgenoemden bij onze noorderburen veel aandacht én literaire onderscheidingen oogsten, blijft het bij ons wachten op een literatuur die de multiculturele samenleving weerspiegelt. Daarom krijgen de allochtone auteurs hier vooralsnog niet de wetenschappelijke aandacht die ze verdienen. Hun eigen inbreng in de Nederlandse letteren is nochtans de belangrijkste literaire gebeurtenis van het voorbije decennium. Reden genoeg om het werk van een van hen te bestuderen.

Abdolahs werk kan het best vanuit zijn positie als schrijver-balling worden geïnterpreteerd. Hij is een kroniekschrijver van het leven in ballingschap, en geeft daarmee een stem aan miljoenen naamloze vluchtelingen. Ballingschap is immers niet langer een zaak van individuen, maar van hele bevolkingsgroepen, en is een synoniem geworden voor migratie.
Twee essays over het leven en meer bepaald het schrijven in ballingschap leveren, toegepast op Abdolahs werk, waardevolle inzichten op: 'The condition we call exile, or acorns aweigh' van Joseph Brodsky en 'Reflections on exile' van Edward Said.
Beiden besteden daarin veel aandacht aan het belang van het verleden voor de balling. Brodsky typeert de schrijver-balling als een retrospectief wezen, en Said noemt ballingschap treffend een discontinue bestaansvorm. Heden en verleden spelen zich elders af, en de discontinue identiteit die daar het gevolg van is, vormt in Abdolahs werk de essentie van het leven in ballingschap. Hij toont hoe de plotse breuk met het vaderland een aanslag is op de identiteit van de balling. Daarom zijn zijn personages zo vaak met hun verleden bezig: identificatie met het vroegere zelf is immers essentieel voor onze integriteit. Om zijn gebroken identiteit en die van zijn personages te lijmen, maakt Abdolah voortdurend een literaire reis naar het verleden. Hij verhuisde zijn Perzische verleden naar een lege plek in de Nederlandse taal, waardoor hij in zijn werk steeds weer kan thuiskomen. Het Nederlands is op die manier zijn nieuwe vaderland geworden.

De breuk met het vaderland en de confrontatie met een nieuwe taal en cultuur maken het leven in ballingschap niet gemakkelijk. Toch biedt het voor een auteur ook ontegensprekelijk voordelen. Van een dictatuur wordt hij verbannen naar een democratie, en zo komt hij dichter bij de idealen die hem in zijn thuisland al inspireerden. Zijn aankomst in de nieuwe samenleving is daarom in zekere zin een thuiskomst. Brodsky vindt het de taak van de schrijver-balling de verworven vrijheid te benutten door te getuigen over de onderdrukking waar hij het slachtoffer van werd. Dat is precies wat Abdolah doet: hij kan niet langer actief verzet plegen, maar als buitenstaander kan hij wél met de pen ten strijde trekken. Vooral in Spijkerschrift legt hij de terreur van het Iraanse regime bloot. Ook de Nederlandse beleidsmakers schopt hij vaak hard tegen de schenen. Hij mengt zich in het publieke debat over het 'multiculturele drama', en ontmaskert vooral als columnist genadeloos de fameuze Nederlandse tolerantie.
In Abdolahs sterke politieke engagement komt zijn positie als schrijver tussen twee culturen tot uiting. De bekende uitspraak van E. du Perron dat literatuur een 'tijdverdrijf van enkle fijne luiden' is, geeft perfect weer hoe in onze cultuur de letteren worden gezien. Vanuit zijn achtergrond in een dictatoriaal regime heeft Abdolah een andere visie op het schrijverschap: in een dictatuur is het papier gedoopt in de politiek, en is de schrijver de vuist van het volk.

Die andere visie is de blik van de outsider, die niet alleen met een ongeconditioneerde blik naar zijn nieuwe maatschappij kijkt, maar ook met andere ogen naar het vaderland dat hij ontvluchtte. Waar de zijlijnen van beide samenlevingen elkaar ontmoeten, heeft Abdolah zich gevestigd. Een Perzisch auteur is hij niet meer, maar een Nederlands schrijver is hij evenmin. Daarvoor zijn de geur en de kleur van de Perzische inkt in zijn werk te opvallend aanwezig.


Met die eigen inbreng is hij één van de allochtone auteurs die een punt zetten achter de dominantie van de blanke Nederlandse literatuur. Net daarmee kan men de grote belangstelling voor migrantenliteratuur in Nederland verbinden. Die aandacht werd vooralsnog vooral negatief geïnterpreteerd: zo zou bijvoorbeeld eerder om een sociologische dan een literaire interesse gaan. Zelden is een verklaring naar voren gebracht die het succes van de allochtone literatuur verbindt met literaire factoren. Immigratie is de belangrijkste gebeurtenis die Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ondergaan. Van de multiculturele samenleving die daar het zichtbare resultaat van is, zijn in de autochtone literatuur nauwelijks sporen te vinden. De blanke vertellers hebben geen oog voor het vreemde. In de verwarde natie die Nederland sinds de moord op Pim Fortuyn meer dan ooit is geworden, is misschien een gevoel van verzadiging opgetreden ten aanzien van auteurs die in de spiegel kijken en daar alleen zichzelf zien.