arch/ive/ief (2000 - 2005)

Reactie op een criticus tav mijn artikel betreffende M. Doornaert
by Astrid Essed Sunday, Jul. 11, 2004 at 3:30 PM

In een reactie op mijn commentaar tav het artikel van mevrouw Doornaert ''Niet de Joden overdrijven'' getuigt de heer Schick zowel van een ontkenning van de Israelische oorlogsmisdaden als van verdraaiing van de historische werkelijkheid.[Reactie Schick onderin


Geachte Redactie,

Hoewel het niet mijn gewoonte is nav een van mij gepubliceerd artikel een reactie te plaatsen op de bijdragen van een van mijn critici wil ik in dezen graag een uitzondering maken voor de reactie van de heer Schick op mijn artikel [Artikel mevrouwDoornaert dd 8-7] ,die nog afgezien van de door hem gehanteerde demagogische retoriek in dezen getuigt van zowel bagatellisering van de Israelische oorlogsmisdaden cq mensenrechtenschendingen en de sinds 11 september opgelaaide anti-molsimhetze.
Daarenboven spreidt hij een opvallend gebrek aan historische kennis ten toon betreffende de juiste inhoud van de door hem genoemde VN-resoluties, terwijl het tevens opvallend is, dat hij bepaalde VN-resoluties met name tav de veroordeling van de in de oorlog in Libanon gepleegde Israelische oorlogsmisdaden, gemakshalve niet noemt.
Verder zal ik zijn opmerkingen tav het Belgische geschiedenisonderwijs betreffende de holocaust en het Midden-Oostenconflict eens nader onder de loupe nemen:

A Belgisch geschiedenisonderwijs:

In de eerste plaats wil ik de heer Schick graag aanbevelen, een door mij gemaakte opmerking correct weer te geven.
In tegenstelling tot hetgeen door de heer Schick is gesteld heb ik nergens in mijn artikel beweerd, dat er op de Belgische scholen teveel aandacht aan het onderwijs over de holocaust geschonken zou worden.
Wel heb ik in reactie op de door mevrouw Doornaert gemaakte opmerking, dat aan het geschiedenisonderwijs over de holocaust meer aandacht geschonken zou moeten worden, gesteld, dat het niet alleen vanuit historisch -correct oogpunt, maar met name ook vanwege de opgelopen spanningen tussen delen van de Joodse gemeenschap en een kleine groep Marokkaanse jongeren van groot belang is de historische achtergronden van het Midden-Oostenconflict meer te belichten, met name de verdrijving in 1947/1948 van meer dan 750.000 Palestijnen uit hun eigen land door israelische milities en de verwoesting van meer dan 400 Arabische dorpen.
Inderdaad ben ik het met de heer Schick eens, dat er de laatste jaren in Belgie op een aantal scholen hier meer aandacht aan geschonken wordt, maar helaas is er in het onderwijs nog steeds geen sprake van evenredige aandacht in dezen.


B VN-resoluties:

Erger vind ik echter in dit verband het feit dat de heer Schick ten einde mijn artikel te bekritiseren, zich schuldig maakt aan de onjuiste weergave van de door mij genoemde VN-resolutie 242

1 VN-Veiligheidsraadsresolutie 242

Te uwer informatie meneer Schick:

Naar aanleiding van de juni-oorlog in 1967 tussen Israel enerzijds en Jordanie, Syrie en Egyote anderszijds heeft Israel na de beeindiging van deze oorlog zowel de Egyptische Sinai-woestijn, de Syrische Golan-Hoogte en de Palestijnse gebieden de Westelijke Jordaanoever, de Gaza-strook en OOst-Jeruzalem veroverd.
Op 22 november 1967 heeft de VN-Veiligheidsraad unaniem resolutie 242 aangenomen, waarbij Israel werd opgeroepen zich uit de in de juni-oorlog veroverde gebieden terug te trekken.
Verder werd Israel eveneens opgeroepen ''een rechtvaardige regeling van het vluchtelingenvraagstuk te bewerkstelligen'', hetgeen een bevestiging was van de in 1948 aangenomen VN-resolutie 194, die Israel opriep de in 1947/1948 verdreven Palestijnen hetzij de gelegenheid te geven terug te keren naar de woonoorden waaruit zij verdreven waren, hetzij hen financiele compensatie te betalen voor het verlies van hun bezittingen.

Zoals bekend heeft Israel net zo min als de eis zich uit bezet gebied terug te trekken ooit gehoor gegeven aan resolutie 194 [de recht op terugkeer-resolutie], noch heeft Israel ooit het recht op terugkeer erkend van de door haar verdreven Palestijnse vluchtelingen.

Wat in dezen echter cruciaal is, is dat in de preambule van deze resolutie duidelijk gesteld is, dat ''het ontoelaatbaar is door middel van oorlog gebieden te verwerven'', hetgeen de illegaliteit van deze bezetting als zodanig benadrukt en tevens duidelijk maakt dat aan de beeindiging van ene bezetting geen voorwaarden gesteld kunnen worden.

Op geen enkele wijze wordt in deze resolutie dan ook de link gelegd tussen beeinidiging van de bezetting en ''erkenning van Israel of het aangaan van verdere onderhandelingen'', hetgene daarenboven nergens in de tekst te vinden is.

2 VN-Veiligheidsraadsresolutie 338

Hoewel deze door de heer Schick gedane bewering dus apert onjuist is, verwjst hij betreffende de door hem genoemde vredesonderhandelingen wel degelijk naar een bestaande VN-Veiligheidsraadsresolutie in dezen, die echter een andere inhoudelijke betekenis heeft dan de heer Schick hieraan toekent

De onderhavige resolutie waaraan hij refereert is namelijk VN-Veiligeidsraadsresolutie 338 dd 22-10-1973

Deze resolutie werd aangenomen nav de in 1973 aangenomen zogenaamde ''Yom-Kippoer'' of ''Ramadan-oorlog'' tussen Israel enerzijds en Syrie en Egypte anderszijds
Hierbij roep te VN-Veiligheidsraad inderdaad alle partijen op tot een onmiddellijk staakt het vuren en te beginnen met onderhandelingen, maar hetgeen de heer Schick hier niet vermeldt en in dezen van cruciaal belang is, is dat er eveneens wordt opgeroepen tot onmiddellijke naleving van resolutie 242 [dus de Isarelische terugtrekking uit de bezette gebieden] als basis voor verdere vredesonderhandelingen, waardoor ook deze resolutie nog eens het llegale karakter van de Israelische bezetting in dezen bevestigt.

3 Khartoum-conferentie:

Verder getuigt de door de heer Schick gedane verwijzing naar de door de Arabische landen gehouden Conferentie in Khartoum zowel van een onjuiste datering als van een onvolledige politiek-historische interpretatie in dezen.

In de eerste plaats vond deze conferentie plaats in juli 1967, zes jaar voor de door de heer Schick genoemde verwijzing naar vredesonderhandelingen met Israel [resolutie 338 dd 1973]
In de tweede plaats zijn zijn opmerkingen tav deze Conferentien weliswaar inhoudelijk juist [geen vrede, geen erkenning Staat Israel en geen vredesonderhandelingen] maar zonder hierop verder te willen ingaan omdat zulks te ver voert dient er wel bij vermeld te worden, dat deze uitspraken regelrecht verband hielden met de Israelische weigering zowel het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen als het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk te erkennen.

Bovendien kan de weigering van de erkenning van een Staat onder geen enkele omstandigheden als excuus worden aangemerkt voor het bezetten van een in de oorlog veroverd gebied door die Staat.

C Palestijnse vluchtelingen

Nog afgezien van zijn stuitend gebrek aan zelfs maar rudimentair medeleven met deze Palestijnse vluchtelingen, die zowel in de oorlog in 1948 als in de juni-oorlog verdreven zijn door respectievelijk israelische milities als het Israelische leger [750.000 mensen in 1948 en 250.000 mensen in 1967] hetgeen meneer Schick, oorlogsmisdaden zijn volgens het Internationaal Recht [artikel 49 van de 4de Conventie van Geneve, die eveneneens door Israel is ondertekend!], hetgeen met name door zijn ironisch taalgebruik getuigt van een gebrek aan humaniteit, wil ik graag ingaan op de door hem gemaakte opmerkingen tav de politiek-sociale relatie tussen de Arabische regeringen enerzijds en de Palestijnse vluchtelingen anderszijds.

In de eerste plaats wekt hij ten onrechte de indruk, dat alle Palestijnse vluchtelingen zich zouden bevinden in de de Arabische landen, hetgeen niet het geval is.
Zoals hem namelijk bekend is woont een groot aantal Palestijnse vluchtelingen weliswaar in Syrie, Egypte, Jordanie, Irak en een aantal Golfstaten, maar bevindt een eveneens niet onaanzienlijk aantal vluchtelingejn zich in de sinds 1967 door Israel bezette Palestijnse gebieden.

1 Palestijnse vluchtelingen in de Arabische wereld:

Zeker ben ik het met de heer Schick eens, dat de troosteloze omstandigheden waarin de Palestijnse vluchtelingen met name in Libanon en in Jordanie zich bevinden is, zeker te wijten is aan te weinig sociaal-financiele zorg door de desbetreffende regeringen, zeker in Libanon, waar ze aarenboven eveneens blootstaan aan ernstige discriminatie in dezen.
Aan de andere kant dient echter niet uit het oog verloren te worden, dat het gebrek aan zorg eveneens samenhangt met de veelal slechte sociaal-economische omstandigheden waarin de meeste Arabische landen verkeren, reden ook waarom de VN in 1949 de UNWRA in het leven heeft geroepen, die de hoofdverantwoordelijkheid heeft voor de sociale, financiele en educatieve zorg voor deze vluchtelingen, die echter zo hoog is betreffende de financiele kosten, dat deze hulp evenmin toereikend is.

Het meest stuitende in dezen echter vind ik de ontkenning door de heer Schick van de hoofdverantwoordelijkheid in Israel in dezen, die deze mensen tot tweemaal toe [in 1947/1948 en in 1967] verdreven heeft, nooit hun recht op terugkeer heeft erkend of enige redelijke financiele compensatie in dezen heeft betaald.

2 Palestijnse vluchtelingen in de bezette gebieden:

In het geval van de aanwezigheid van de Palestijnse vluchtelingenkampen in de bezette gebieden [vanaf 1967] is het in dezen evident:

Niet aleen is Israel vanwege de verdrijving in 1948 uiteraard hoofdverantwoordelijk voor de zorg voor deze mensen, daarenboven is Israel volgens een van de belangrijkste bepalingen van de 4de Conventie van Geneve hoofdverantwoordelijk voor de veiligheid, de welvaart en het welzijn van de ''beschermde personen'' [mensen, die leven onder een bezetting]
Sinds de bezetting in 1967 is de Israelische zorg in dezen minimaal geweest, nog afgezien van de illegale nederzettingenpolitiek waardoor vaak zelfs de minimale bestaansvoorwaarden voor deze vluchtelingen [hun olijfgaarden]vaak werden onteigend ten voordele van de illegale nederzettingenbouw [niet alleen is de nederzettingenpolitiek illegaal volgens artikel 49 van de 4de Conventie van Geneve, bekrachtigd in twee VN-Veiligheidsresoluties dd 1979, mar ook in strijd met atikel 53 van de 4de Conventie van Geneve, die land en huisonteigeningen verbiedt]

Het verdient dan ook aanbeveling, dat de heer Schick een en ander eveneens in overweging neemt.

D Menselijk schild:

Stuitend ook vind ik het dat de heer Schick, die toch op de hoogte zal zijn van het gebruiken van het Israelische leger van Palestijnen als menselijk schild in de twee grote militaire offensieven in 2002, hetgeen met name door Amnesty International [http://www.amnesty.org]en Human Rights Watch [http://www.hrw.org] is veroordeeld evenals het eerdere gebruik door het Israelische leger als menselijk schild van Palestijnen [in de Libanon-oorlog] zich bedient van buitengewoon onsmakelijke voorbeelden van Palestijnse ouders, die hun eigen kinderen zouden hebben gebruikt als menselijk schild.
Hoewel ik het waarheidsgehalte van deze opmerking niet heb kunnen controleren wil ikm dit in dezen niet bestrijden.
Overigens hoop ik dat de heer Schick het mij niet kwalijk neemt, dat ik in dezen gezien de gruwelijkheid van de Israelische oorlogvoering in Libanon de associatie wil maken met een zwarte slavenmoeder, die [hoe stuitend op zich ook] liever haar eigen kind doodde op de slavenmarkt dan het te veroordelen tot een leven van slavernij.

Echter belangrijker is het feit, dat zijn opmerking, dat de Palestijnen zo de Israelische soldaten beter konden naderen om ze daardoor genadeloos te kunnen doden, niet alleen getuigt van een stuitende demagogie, maar eveneens van een onjuiste weergave van de historische werkelijkheid in dezen.


1 Israelische aanval op Libanon

In de eerste plaats schijnt de heer Schick uit het oog te verliezen, dat er in dezen sprake was van een Israelische aanvalsoorlog in Libanon, die in tegenstelling tot veelal gedane beweringen niet zijn aanvang nam in 1982, maar reeds in 1974 met daaropvolgende tussenpozen zijn aanvang nam.
In de tweede plaats wekt de heer Schick hier de totaal misplaatste indruk, dat hier sprake was van gelijke militaire krachtsverhoudingen, hetgeen allerminst het geval was.


Wanneer ik mij echter beperk tot de voornaamste vijandelijkheden in deze oorlog is het zonder hiermee ook maar enigszins eveneens gepleegde Palestijnse mensenrechtenschendingen te willen verexcuseren, wordt deze oorlog gekenmerkt door zeer ernstige Israelische mensenrechtenschendingen, die evebals de Israelische agresse in dezen zijn veroordeeld in een aantal VN-resoluties [waaronder VN-Veiligheidsraadsresolutie nr 508 dd 5-6-1982, VN-Veiligheidsraadsresolutie nr 512, De Algemene Vergaderingsresolutie ES-7/6 d 17-8-1982 en de Algemene Vergaderingsresolutie ES-7/9 dd 24-9-1982] .

2 Israelische oorlogsmisdaden:

De door Israel gepleegde oorlogsmisdaden in de Libanon-oorlog bestonden o.a. uit het met internationaal verboden cluster en fragmentatiebommen bombarderen van Libanese steden en dorpen waarbij duizenden Libanese en Palestijnse burgers om het leven gekomen zijn.
Ik hoef de heer Schick er waarschijnloijk niet op attent te maken, dat het bombarderen van burgerdoelen zondre enig onderscheid tussen burger en militaire doelen een oorlogsmisdaad is volgens het Internationala Recht, alsmede het gebruik van internationaal verboden wapens.
Verder kenmerkte deze oorlog zich door het gebruiken van Palestijnse burgers als menselijk schild, standrechtelijke executies van Palestijnse gevangenen, het aanrichten van massalslachtingen onder de Palestijnse bewoners van Beiroet [veroordeeld in de reeds genoemde resolutie ES-7/9]en het ondersteunen van militaire handelingen van Israel's bondgenoot, de ''christelijke'' falangisten, hetgeen geleid heeft tot de massalschatingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in september 1982.

Sabra en Shatila:

Hoewel deze genocide heeft plaatsgehad onder directe verantwoordelijkheid van de Libanese ''christelijke'' falangisten draagt Israel hiervoor eveneens de hoofdverantwoordelijkheid.

In september 1982 stelde de toenmalige minister van Defensie Sharon [de huidige premier]de Israelische bondgenoten de ''christelijke'' falangisten, aan als bewakers van de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila.
Aangezien deze falangisten al jarenlang verwikkeld waren in een burgeroorlog met de in Libanon aanwezige Palestijnse verzetsorganisaties getuigte deze aanstelling op zijn zachtst gezegd van een groot gebrek aan verantwoordelijkheid tav de bewoners van deze vluchtelingenkampen.
Nav de aanslag op een leider van de falagnisten startten deze op 16 en 17 september een gruwelijke slachting, die aan tisen de 1200-2000 Palestijnse burgers het leven kostte, waarover de internationale verontwaardiging byzonder groot was, met name in Israel waar meer dan ene half miljoen mensen betoogden voor de berechting van o.a. de minister van Defensie Sharon.
Onder druk van de publieke opinie werd vervolgens de Commissie Kahan in het leven geroepen, die op grond van haar bevindingen stelde, dat Sharon verantwoordelijk was voor deze massalscahtingen.
Deze commissie had echter geen juridische bevoedgheden waardoor een en andre slechts volstond in het vertrek van Sharon [vrijwillig] als minister van Defensie.

Israelische argumentatie:

De Israelische argumentatie, dat de verantwoordelijkheid in dezen geheel lag bij deze Falangisten is geheel onjuist.
In de eerste plaats werd deze genocide gepleegd in een door het Israelische leger gecontroleerd gebied, waardoor Israel als bezettende macht hoofdverantwoordelijk is voor de veiligheid, het welzijn en de welvaart van de bezette bevolking, in casu de Palestijnse burgers in Sabra en Shatilla.
Dit maakt Israel uiteraard tot hoofdverantwoordelijke voor deze massaslachtingen.
Bovendien heeft de toenmalige Israelische minister van Defensie Sharon de nacht van de massalscahtingen diverse zeer ersntige waarschuwen en verzoeken tot ingrijpen genegeerd, zowel van een aantal in Libanon aanwezige Isaelische hoge officieren, de Amerikaanse gezant voor het Midden-Oosten en een aantal Israelische journalisten.

Terecht is het dan ook, dat Sharon alsnog vervolgd dient te worden voor genocide.

Het verdient aanbeveling, dat de heer Schick bij zijn vermelding van de ''genadeloze'' Palestijnse aanvallen op een van de sterkste en meest technologisch-geavanceerde leger ter wereld, waarbij in feite sprake was van pure zelfverdediging, eveneens melding maakt van dexe Israelische oorlogsmisdaden.

Bezoekt u maar eens de sites van Amnesty Intrenational, Human Rights Watch, het Rode Kruis [http://www.icrc.org] en de Verenigde Naties [http://www.un.org] voor nadere informatie

Neen meneer Schick, er is hier geenszins sprake van een anti-Israelhetze, maar van een vermelding van historische feiten, gekoppeld aan de naleving van de bepalingen van het Internationaal Recht.

Het is in dezen evident, dat deze bepalingen eveneens door de Palestijnen en de Arabische regeringen dienen te worden nageleefd, maar een en ander had ik reeds duidelijk gesteld in mijn vorige artikel.

E Anti-joods geweld

Hoewel reeds ten overvloede gesteld, heb ik reeds in mijn vorige artikel aangegeven, dat er voor het door een kleine groep Marokaanse jongeren gepleegde anti-joodse geweld volstrekt geen excuus bestaat en dat een en andre streng gestraft dient te worden [zie mijn vorige artikel]
Wel heb ik in dezen duidelijk gesteld, dat een en ander niet gestoeld is op het traditionele anti-semitisme [hetgeen traditioneelnauwelijks aanwezig is bij deze Marokkaanse jongeren in tegenstelling tot de West-Europese traditie van anti-semitisme], maar direct verband houdt met het escalerende Midden-Oostenconflict waarmee deze jongeren [en het is van belang dat u in dezen hun gevoelens respecteert meneer Schick] een sterke affiniteit hebben, het gebrek aan onderscheidingsvermogen tussen Israelische oorlogsmisdaden en de uiteraard niet aanwezige verantwoordelijkheid hiervoor van leden van de Joodse gemeenschap en hun frustraties over het feit, dat een en ander ongestraft plaatsvindti[nog steeds kan Israel, hierin gesteund door de VS resoluties of internationale veroordelingen zoals recentelijk betreffende de Muur ongestraft naast zich neerleggen]


In dat verband ook pleit ik voor een evenwichtigere verdeling van het historisch onderwijs in dezen, hetgeen iedereen, die bezorgd is over het opkomende anti-semitisme, zou moeten toejuichen.

Ik hoop meneer Schick u door deze uiteenzetting nog duidelijker mijn standpunt uiteengezet te hebben en beveel u aan voortaan artikelen en/of bijdragen van mijn of anderen zorgvuldiger te lezen alvorens kritiek te spuien.

Astrid Essed



Astrid Essed over Mia Doornaert en het Midden-Oosten

Het is triestig, hoe Mia Doornaert, een van België's meest bekwame jounalisten de grond ingeboord wordt, alleen om het feit dat zij de anti-Israel-hetze van de laatste jaren in de Europese en Belgische pers niet klakkeloos wil volgen. Een sprekend voorbeeld is Astrid Essed: Mevrouw, graag zou ik een paar van de door U aangehaalde feiten terug naar de realiteit brengen, daar U de geschiedenis ronduit geweld aan doet: U durft zowaar te zeggen, dat in het onderwijs teveel over de Holocaust, maar tè weinig over het M.O. conflict wordt gedoceerd. In feite zou U moeten jubelen, want hetgeen sinds enkele maanden op de scholen wordt gebracht, komt rechtstreeks van uw vrienden "Lucas Catherine, Ludo Abicht en het Platform Palestina". Een betere publiciteit voor uw ideeën kunt U zich toch niet wensen, nietwaar ? Iets verder hebt U het over de Israëlische bezetting van Arabisch grondgebied sinds 1967, en de alom bekende resolutie 242 van de VN. U, die het zo goed schijnt te weten, moet toch zeker stilstaan bij het feit, dat resolutie 242 bi-lateraal is, dat wil zeggen, Israël zou de veroverde gebieden teruggeven, en de Arabische landen zouden daarvoor Israël erkennen, en vrede sluiten. U weet beslist dat enkele maanden later tijdens de Arabische Conferentie in Khartoum unaniem de beroemde " 3 maal neen" werd gestemd: “géén vrede met Israël, géén erkenning van Israël, en géén onderhandelingen met Israël". Mochten de Arabieren hun deel van die resolutie gerespecteerd hebben, dan hadden zij die gebieden reeds decennia geleden teruggehad. Egypte heeft het voorbeeld gegeven, en heeft alles, tot op de laatste meter, teruggekregen. En dat de Palestijnen reeds zo lang in vluchtelingenkampen zitten, is enkel en alleen te wijten aan het feit, dat hun Arabische "broeders" ze liever als levende propaganda gebruiken, dan ze te helpen met hun miljarden petro-Dollars. De gehele Arabische wereld heeft nooit een zier gegeven om die stakkerds, tot men is gaan beseffen, dat het een prachtig middel was om Israël en Joden , overal ter wereld, onder druk te kunnen zetten. De plotse verontwaardiging vanwege bvb vele hier wonende jonge Moslims, is niet meer dan een hypocriet voorwendsel om amok te maken, en liefst een zwakke minderheid - met velen tegelijk als dat even kan - aan te vallen. Tenslotte hebt U het over het gebruiken van Palestijnen als menselijk schild. Sta mij toe U aan iets te herinneren: In de oorlog in Libanon anno 1982, waren Palestijnen en Israëli's verwikkeld in zeer zware straatgevechten in Beirouth. De Palestijnen gebruikten hun eigen (!) kinderen als levend schild, om zo de Joodse soldaten voldoende te kunnen naderen, en ze dan genadeloos neer te knallen. Nee, Mw Essers, als U geschiedkundige feiten aanhaalt, doe het dan correct en volledig. Maar daar blijkt U niet toe in staat...


Max Schick