arch/ive/ief (2000 - 2005)

Matthew Hyland over Agamben en Marx
by Matthew Hyland Monday, Mar. 15, 2004 at 1:24 PM

Noot van de vertaler: Het onderstaande is een op internet aangetroffen artikel van Matthew Hyland – het trekt minder gebruikelijke of zelfs buitensporige verbindingen tussen theorieën en actuele ontwikkelingen. Deze vertaling ervan is ongeautoriseerd en gebrekkig, maar vanwege andere redenen toch relevant. (Een link naar de Engelse tekst staat vermeld.) Hyland maakt een verbinding tussen de theorie van Giorgio Agamben (over de ‘biopolitieke’ relatie tussen soevereine macht en ‘naakt leven’), die van Karl Marx (over de relatie tussen productie van meerwaarde en de sociale oplegging van werk) en de kritiek op het medische systeem zoals gemaakt door het radicale patientencollectief SPK, dat in de jaren ’60 bekend werd met de leus “Maak je ziekte tot een wapen!” en nog steeds actief is. Omdat het artikel zulke heterogene gebieden theoretisch probeert te verbinden, is het niet slecht er kennis van te nemen. Voor wie daarin geinteresseerd is, biedt het ingangen om genoemde theorieën te onderzoeken vanuit een niet-orthodox perspectief.

Zuiver oplegging en meer niet; “naakt leven” als allegorie van werktijd

Je moet je rechterhand over je linker oog leggen – als er een andere Luddiet in het gezelschap is zal hij zijn linkerhand over zijn rechteroog leggen – dan moet je de wijsvinger van je rechterhand naar de rechterkant van je mond brengen – de ander zal de pink van zijn linkerhand naar zijn linkermondhoek brengen en zal zeggen, Wat ben jij? Het antwoord, Vastberaden. Hij zal zeggen, Waarvoor? Je antwoord, Vrije vrijheid.
- Brief van een politieinformant met waarschijnlijk een beschrijving van het wachtwoordsysteem van Luddieten, rond 1812

Overal waar kapitalisme bestaat, zal ‘arbeidsbesparende technologie’ altijd betekenen: meer werk in minder tijd, zodat nog meer werk opgelegd kan worden in de overgebleven tijd. De machine-brekers van de industriële revolutie begrepen dit prima, hoewel bloedige staatsrepresailles hen dwongen hun ‘praktische kritiek’ in het duister uit te voeren. Bijna 200 jaar later richt de aandacht van de politie zich elders, maar dit eenvoudige axioma blijft onnoembaar, een publiek geheim terwijl ondertussen de effecten van haar toepassing de sociale werkelijkheid vergaand verzadigen.

Zo’n contra-intuitieve formule in gedachten houden is een vereiste als men de huidige neiging van kapitaal tot integratie van alle geleefde tijd in de tijd van waardeproductie ooit wil begrijpen.

Een recente publieke verklaring van de beweging van autonome media in Rome Telestreet, benadrukt de onlosmakelijkheid van technologische vormen van het gevecht over de organisatie van tijd, zelfs in het geval van televisie, die over het algemeen geacht wordt ver te staan van de ‘fabrieksvloer’. Zoals de hypothetisch geïsoleerde gebruikswaarde van elke waar, is de specifieke inhoud van het tv-programma ondergeschikt aan haar participatie in een algemenere deling en accumulatie van sociale potentialiteit.

“Publieks-mechanica dienen niet langer de productie van instemming, maar de verzadiging van tijd en sociale aandacht, die eindige grondstoffen zijn… Televisie, als een bio-politiek explosief, wordt niet langer gebruikt als een voertuig van ideologie, maar om sociale tijd te organiseren en te bezetten. Desinformatie is geen vraagstuk van de inhoud (waarom geen Indymedia in elk huishouden in plaats van het TV-Journaal?). Nee, het is een vraagstuk van aandachts-tijd, van de onmogelijkheid om wat voor handeling dan ook te situeren in de context van een stroom die al verzadigd is.”

De omheining van de sociale tijd, daarentegen, is niet eenvoudigweg een kwestie van staten en bedrijven – subjecten die collectief geïdentificeerd worden met ‘kapitalisme’ – die proberen de potentiële tegenaanval te blokkeren. Niet alleen kunnen de grenzen tussen actoren zo scherp niet getrokken worden, de inzet van dit proces gaat de zelfverdediging van bestaande instituties ver te buiten. In al haar verschillende instanties vertegenwoordigt de graduele aanpassing van de contouren van geleefde duur aan die van waarde-productie een gedwongen loop naar het einde van de geschiedenis, zoals dat door kapitaal zelfzuchtig gehallucineerd wordt, de droom van haar oneindige zelf-beweging, als emancipatiemiddel van een afhankelijkheid van levende arbeid.

Als een neiging, mag zo’n ‘absorbtie’ misschien zo oud zijn als kapitalistische wetenschap en de fabriek. Vandaag, daarentegen, is het zover voortgeschreden om aan de dag te treden als diffuse, ‘low-level’ verwerkelijking van Giorgio Agamben’s politiek-ontologische categorie ‘naakt leven’. Agamben werkt dit begrip uit met verwijzing naar de lichamen in Nazi-laboratoria en concentratiekampen, en naar ‘experimenteel leven’ in de huidige ziekenhuizen. Recentelijk hebben hij en anderen de term gebruikt om de fysieke en juridische uitlevering te beschrijven van de ‘onwettige strijders’ die gevangen gehouden worden in Guantanamo Bay. Naast zulke grensgevallen is het belangrijk het ontstaan van een minder ‘zuiver’ en gewoonlijker vorm van ‘naakt’ werkend leven te beschouwen, om op zijn minst twee redenen. Ten eerste, omdat ‘naakt leven’ van weinig belang is als een poëtisch beeld om willekeurig op uiteenlopende verschijnselen toe te passen: Agamben suggereert het als een precies gesitueerde term in een immanente coordinatie van leven, wet, uitzondering en macht. Ten tweede, omdat het zinvol lijkt om te herhalen dat, binnen deze ‘biopolitieke’ samenloop, het begrip van het naakte leven allerminst onverenigbaar is met een materialistisch geschiedsbegrip in termen van conflict over ‘waarde’, werk en tijd.

Agamben neemt als zijn beginpunt het klassieke Griekse onderscheid tussen twee termen, versmolten in hun enkele vertaling in het Latijn als ‘vita’, en in moderne Europese talen als ‘leven’. De Grieken onderscheidden ‘zoè’, dat het eenvoudige in leven zijn aanduidt dat alle levende wezens (dieren, mensen of goden) gemeen hebben, van ‘bios’, dat de vorm of specifieke levenswijze aanduidt die eigen is aan een individu of een groep. Zowel Plato als Aristoteles definieerden ‘politiek’ leven, dat wil zeggen gekwalificeerd, talig leven, vatbaar om ‘goed’ of ‘slecht’ genoemd te worden, precies door het verschil ervan met eenvoudig materieel overleven. In de moderne periode daarentegen heeft ‘politiek’ geleidelijk het bestuur van het materiële, ‘biologische’ leven tot haar object gemaakt, zoals Foucaults schrijven over ‘biopolitiek’ duidelijk maakt. Voor Agamben is het cruciaal dat deze verschuiving niet verward wordt met een abrupte, onproblematische verwelkoming van ‘biologisch leven’ in de sfeer van ‘politiek’. Het laat juist achteraf zien in welke complexe spanning de twee vormen van ‘leven’ altijd bestaan hebben, ongeacht de poging van de Griekse filosofen om ze van elkaar los te maken. Ongedifferentieerd (zoè heeft geen meervoud) materieel of ‘naakt’ leven is absoluut uitgesloten van de politieke, talig gekwalificeerde wereld, en tegelijkertijd wordt ze daartoe in een verhouding gehouden door ditzelfde feit van haar (steeds hernieuwde) uitstoting, waarop de mogelijkheid van politieke en talige kwalificatie zelf gegrond is. Hoe krachtig politiek zich ook bezighoudt met biologisch ‘leven’, blijft het laatste haar steeds vreemd als het object van deze zorg. Deze onbepaalbare drempelverhouding van insluiting-uitsluiting zou ook als volgt uitgedrukt kunnen worden: het leven dat als ‘naakt leven’ aangeduid wordt, is niet een oorspronkelijke vorm van eenvoudig, natuurlijk leven, maar leven dat reeds actief (en voortdurend) vervreemd wordt van politieke, talige of ‘subjectieve’ eigenschappen.

De structuur van levenstijd in beslag genomen door ‘werk’, in de empirisch verdunde maar logisch beperkte zin die hier beschouwd wordt, komt op een specifieke manier overeen met die van ‘naakt leven’. Deze vorm van levende duur (of bezigheid) is vervreemd van specifieke kwaliteiten behalve door de bemiddeling van (kwalitatief onverschillige) waarde. In andere woorden, het wordt enkel in stand gehouden in relatie tot de kwalitatief gedifferentieerde wereld door middel van haar vervreemding ván die wereld, wiens specifieke constitutie (in zijn huidige vorm) afhangt van deze insluitende uitsluiting. Of alternatief verwoord: werk-verzadigd leven is vervreemd van ‘subjectieve’ temporaliteit, behalve in het (continue) heden van haar transformatie tot object.

Een evidente grens aan deze correlatie lijkt te liggen in het contrast tussen de verplichting van kapitaal om overleven en reproductie van arbeidskracht te bevorderen (surplus-arbeidstijd wordt precies gedefinieerd door zijn overschot ten opzichte van de arbeidstijd die hiervoor nodig is) en de definitie van naakt leven door zijn essentiële, onbeperkte blootstelling aan de dood. Voor Agamben is biopolitiek naakt leven identiek met dat van de homo sacer in de Romeinse wetgeving, die niet opgeofferd, maar wel door elke burger op elk moment gedood mag worden. De grens van Foucault’s opvatting van biopolitiek, suggereert hij, is dat het levens-beheer schijnt te plaatsen tegenover het ‘soevereine’ besluiten over leven en dood, in plaats van dat hij in elk de geheime voorwaarde van de ander herkent. Of, zoals het Duitse (en internationale) Socialistisch Patiënten Collectief/Patientenfront (SPK/PF) krachtiger stelt: ‘Het woord “biopolitiek” (van het Griekse bios, leven betekenend) zet de feiten van de zaak op zijn kop. Overal waar sprake is van “biopolitiek”, is het werkelijke vraagstuk dat aan de orde is de politiek van de DOOD, de politiek van uitroeiing.’

Maar de zelfstandigheid van werk (“employment”) van de Dood zou niet te gauw afgeleid moeten worden van het feit dat het grootste deel van de werkende klasse het grootste deel van de tijd mag overleven. Precies omdat kapitaal de controle neemt over het overleven van de arbeider, is haar bevordering van het leven altijd een virtueel besluit over zijn dood. Gijzeling door hongersnood is altijd de meest betrouwbare manier geweest om te zorgen dat arbeiders niet alleen dankbaar zijn voor, maar onderling concurreren om wat voor werk dan ook er maar geboden wordt.

De SPK/PF gaat verder, zodat de blootstelling van naakt leven aan de dood de geprivilegieerde instantie van waardeproductie wordt. De ‘neomorts’ verbeeld door W. Gaylin, juridisch dood maar ‘warm, kloppend en urinerend’ gehouden als levende opslag voor transplanteerbare organen, verliezen de mystiek van een ‘extreme’ ethische crisis wanneer ze beschouwd worden als productiekracht. ‘Nabijheid tot de productiemiddelen blijft klasseantagonisme bepalen’, maar ‘op een nieuwe manier… De aarde met zijn “ruwe materialen” is niet langer productiemiddel. De nieuwe productiemiddelen zijn menselijk leven en zijn lichaamsorganen (100 miljard hersencellen elk, de meest waardevolle ruwe materie). En de productieverhoudingen zijn de medische normen, de normen van artsen, opgeslagen en opgenomen in de computerprogramma’s.’ In ‘een grote dialectische omkering… is iedereen totaal waardevol, dood of levend… het vervreemdingsproces wordt versneld, geconcentreerd, en aangezet zichzelf te versterken (die Entfremdung wird potenziert). Het waardevolle is niet langer goud of een diamant, maar de “biomaterie mens”.’ In deze vervreemde besteding (d.w.z. werk, minus al het overgebleven bijgeloof over ‘nut’) van de attributen van het menselijk lichaam, - organen, cellen, gedachten, taal – onderworpen aan soeverein medisch besluit, wordt het naakte leven van proletarier/patiënt-biomaterie ononderscheidbaar van ‘productiemiddelen’. Deze plek van ononderscheidbaarheid ‘naakt werkend leven’ te noemen hoeft niet perse te betekenen dat werk gelijk staat aan de dood. Een urgenter probleem zou zijn: hoe wordt de zone van onbepaaldheid tussen leven en dood (of, beter, de onverschilligheid van kapitaal over leven en dood als eigenschappen van haar objecten) geïntegreerd in waardeproductie? Wat betekent dit verdwijnpunt van levende en dode arbeid, waar beschikbaarheid (als iets dat lijkt op de Heideggeriaanse ‘staande reserve’) en controle over arbeider-patiëntenmaterie voldoende is om de machinerie tot leven te wekken en surplus te produceren, voor het huidige en toekomstige conflict over arbeids-tijd?

De verklaring van de SPK/PF wijst de vraag af, verkondigend dat biomaterie abstracte arbeidstijd voorbijgegaan is als maat van waarde. Daarentegen kunnen er andere conclusies getrokken worden (die misschien nog steeds consistent zijn met de praktijk van SPK/PF), als alle activiteit en materie zelf begrepen worden als vormen van duur (modes of duration), in Bergson’s zin. Wat Bergson en vrijwel alle ‘Bergsonianen’ onbekend was, is dat deze notie perfect in samenhang is met Marx’ demonstratie van het feit dat machinerie als ‘productiemiddel’ niets meer is dan een ‘object-geworden’ of ‘dode’ concentratie van voorheen-levende arbeid. In dit geval wordt duidelijk dat de directe onttrekking van meerwaarde aan menselijke biomaterie ‘als productiemiddel’ niet minder een onteigening is van levende duur (d.w.z. arbeidstijd) dan het besturen van een autofabriek. De soorten onttrekking die door artsen, veiligheids-biometrie en lifestyle-technici beheerst worden penetreren lichamen alleen dieper en subtieler dan ooit eerder voorstelbaar was. Bovendien, en cruciaal voor kapitaal, wordt ‘abstracte arbeidstijd’ nog abstracter dan voorheen, minder afhankelijk dan ooit van de subjectieve bezigheid van de arbeider, en dus minder kwetsbaar voor treuzelen of sabotage. Tenslotte moet bedacht worden dat de vergelijking duur-materie in beide richtingen werkt. In deze termen zijn duurvormen als geheugen, denken, taal of socialiteit niets dan een van het lichaam gescheiden vorm van de ‘biomassa-reserve’ beschreven door SPK/PF. Dat wordt duidelijk waar ze verschijnen in ultra-geobjectiveerde vorm als ‘communicatie-vaardigheden’ of ‘sociale vaardigheden’ waarvan zoveel nieuwe vormen van werk afhankelijk zijn. Kapitaal’s verwaarding (valorization) van deze vaardigheden is veelal onbetaald, maar omdat ze tegelijkertijd ‘beyond measure’ en eindeloos meetbaar zijn, zijn ze ideaal geschikt voor disciplinaire doeleinden: elke arbeider kan eindeloos geïdentificeerd worden als communicatief ‘ongeschikt’, wat vraagt om eindeloze extra ‘scholing’ en observatie.

‘Verander je ziekte in een wapen!’, eist SPK/PF sinds de jaren 1960 continu. ‘Communicatievaardigheden’ en ‘sociale vaardigheden’, als object-geworden, onteigende vormen van naakte menselijke duur, beduiden een urgente vereiste dat zulke wapens gesmeed worden. Het is niet genoeg om je socialiteit, die als neutraal verondersteld wordt, te ‘onttrekken’ aan het circuit van waarde: omdat de vorm zelf van ‘communicatie’ bepaald wordt door onteigening, moet communicatie zelf vervormd worden.

Matthew Hyland, december 2003, een onvoltooide uitbarsting,
http://www.spkpfh.de

Wablief?
by PolE Tuesday, Mar. 16, 2004 at 5:41 PM

En nu nog naar mensentaal vertalen!