arch/ive/ief (2000 - 2005)

Informele eigendom als potentiële motor voor ontwikkelingslanden?
by Koen Stuyck Friday, Jul. 15, 2005 at 4:56 PM

Een interessant artikel op de liberale denktankwebsite "a World Connected," beweert dat gewone mensen in de ontwikkelingslanden over een enorme hoeveelheid rijkdom beschikken. Het artikel haalt zijn mosterd bij de Peruaanse vrije-markt economist Hernando de Soto. Volgens deze vorser is het probleem eenvoudig dat deze 'informele' rijkdom niet erkend en beschermd wordt door de lokale politieke autoriteiten.

"Wat de ontwikkelingslanden moeten doen," zegt de Soto, "dat is manieren bedenken om het legale en informele systeem van eigendom samen doen vloeien, zodat de hervormde wettelijke orde de twee kan integreren. Alleen dan," zegt hij, "zal de enorme private informele rijkdom en ondernemingswil in deze delen van de wereld in staat zijn om de creatieve en dynamische kracht aan de dag te leggen die nodig is om moderne economiën op te zetten. Economiën die in staat zijn een levensstandaard te zoals wij die kennen of zelfs meer te creëren voor de bevolking."

Allemaal goed en wel, al trapt de Soto een aantal open deuren in. Dat het binnen halen van de informele sector in de niet noodzakelijk beter georganiseerde maar vooral beter beschermde formele economie een goede zaak zou zijn is evident. Arme mensen in het zuiden (of groepen van mensen) die nu een lapje grond bewerken hoog in de bergen of aan de rand van de stad zouden met wettige eigendomstitels heel wat meer zekerheid hebben. Zekerheid dat hun stukje grond niet kan afgepakt worden door grootgrondbezitters of multinationale mijnondernemingen of dies meer. Ze zouden met die eigendomstitels als onderpand leningen kunnen aangaan om meer grond te kopen of om te investeren in een traktor enz.
Ook de miljoenen informele handelsondernemingkjes zouden met een wettige regeling zichzelf kunnen verzekeren tegen risiko's, ze zouden toegang krijgen tot krediet enz. De kwestie is alleen: wat is de finaliteit van een staat die van bij zijn ontstaan georganiseerd is om als wingewest en grondstoffenleverancier te functioneren. De finaliteit van een land, en laat ons maar Peru nemen als voorbeeld, waar de elite de bestaande orde bewust in stand houdt tot haar eigen voordeel. En waar uiteindelijk de arme bevolking hoogstens de belangen van die elite mag dienen door goedkope arbeid te leveren. Met andere woorden: het is niet in het belang van het westen noch de lokale elite om die landen te ontwikkelen. Stel je voor dat er een eigen industrie ontstaat en dat afgewerkte producten van een hoge kwaliteit ter plaatse geproduceert worden: het grootste comparatieve voordeel van de economiën in het westen zou verdwijnen als sneeuw voor de zon. Denk aan China. Gedaan met de spotgoedkope grondstoffen: ze worden lokaal verwerkt. Met hun goedkope arbeid zouden ze de wereldmarkt kunnen overspoelen met goedkope producten.
Neen: dan maar liever de status quo behouden: zwakke lokale economiën met een elite die liefst stevig in het zadel zit, een grote massa armen die beschikbaar zijn en blijven voor goedkope arbeid.

En als je het extra cynisch wil maken: het occassionele gewapende conflict is goed voor de wapenindustrie, zolang de grondstoffentoevoer niet bedreigt wordt. Bovendien kan je daarmee de inheemse bevolking koest houden, de onderlaag van de bevolking die zelfs niet goed is voor de arbeidsmarkt en die alleen maar in de weg loopt in fragiele gebieden met veel natuurlijke rijkdom die ze niet gebruiken.

En dan steeds weer het argument van de Oost-Aziatische tijgers waar het kapitalisme wel haar wonderlijke werking heeft gehad omdat die landen enthousiast hun markten zouden hebben opengegooid. Maar Maleisië, Zuid-Korea en China danken hun succes nu net aan een sterke beschermingspolitiek van hun overheden.

Theoretici zoals Hernando de Soto en Richard M. Ebeling, de schrijver van het artikel zouden beter eens de politieke relevantie van hun ideeën toetsen aan de realiteit van de internationale economische verhoudingen. Ze zouden van een kale kermis thuiskomen.

K.S.