arch/ive/ief (2000 - 2005)

Hier zijn de “vriendjes van Moore” nog eens
by han Soete, Raf Custers & Bruno De Bondt Tuesday, Jun. 01, 2004 at 10:29 PM

"Don't hate the media, be the media". Dat is sinds haar ontstaan in '99 de slagzin van indymedia, het internationale collectief van media-activisten. Ons boek Media-Activisme is daarvoor een handleiding: het vertrekt bij een analyse van de mainstream-media, en geeft daarna aan hoe mensen zelf als journalist aan de slag kunnen gaan. Tijdens de voorbije weken (het boek ligt sinds begin mei in de winkel) schreven enkele recensenten hun mening over Media-Activisme neer. De opvallendste daarvan was tot hiertoe die van Walter Pauli, adjunt-hoofdredacteur bij de krant De Morgen. In dat stuk nodigt hij ons meermaals uit tot een debat over media-activisme en de werking van de media. Onderstaand stuk is een eerste repliek op die uitnodiging.

In mei 2004 heeft Indymedia dossiers gebracht over ClearChannel, de dienstenrichtlijn van Europees commissaris Bolkestein, Gay Pride, de sociale verkiezingen, de gruwel van Abu Ghraib, de verkiezingen, populisme, de Witte Woede, ... Alles bij elkaar maakten we vorige maand 34 van zulke dossiers. Het zijn telkens pogingen om informatie te brengen die nuttig is voor de sociale bewegingen van vandaag, in de taal die zij spreken en met hùn (ervarings-)deskundigen. Er valt ook uit af te lezen dat we de doelstellingen van deze sociale bewegingen steunen. Noem ons werk dus gerust geëngageerde journalistiek.

Die manier van werken zijn we sinds juni 2000 met veel vallen en opstaan aan het leren. Bovendien hebben we onze praktijk en ervaringen voortdurend onder de loupe genomen en opgeschreven. Zo kwam ons boek Media-Activisme tot stand, een handboek met een hoop tips en inspiratie voor wie media wil maken voor sociale verandering.

De meeste recensenten gaan niet in op dat onderdeel van ons boek, nochtans het gros van de inhoud. Jef Coeck vraagt in De Tijd wel of we al eens van civic of public journalism hebben gehoord, een strekking in de media die de burgers zo nauw mogelijk betrekt bij het maken van informatie. Wij hebben die participatieve aanpak vertaald in de talrijke workshops die we met ons Media-Circus hebben gegeven.

Onze recensenten blijven echter haperen bij ons eerste hoofdstuk, dat meteen ook ons uitgangspunt is. Wij gaan er in Media-Activisme van uit dat er iets grondig mis loopt met de mainstream-media.


Iets mis met de media?

Meer dan 80% van de Belgen vertrouwen de media niet. Steeds meer mensen hebben kritiek op de media en spreken die ook uit. En we ontmoeten ook bijna dagelijks mediawerkers die daarvan wakker liggen. Ook zij staan zeer kritisch tegenover hun eigen job of tegenover het medium waarvoor ze werken. Ons boek is duidelijk ook voor hen bedoeld. Ook met hen willen we zoeken naar het hoe en het waarom en antwoorden formuleren.

Maar er circuleren ook andere opinies. “Goed, ze (de media) schrijven bij gratie van de machthebbers, verdedigen stilzwijgend het bestaande systeem, en praten in de praktijk vaak veel ongelijkheden goed: so what”, schrijft adjunct-hoofdredacteur Water Pauli in een recensie van ons boek in De Morgen1. Pauli is kennelijk één van de media-werkers die volhouden dat er hoegenaamd niéts structureel mis loopt met de media, en dat fouten te herleiden zijn tot uitschuivers van individuele journalisten. Goed dat Pauli dat zo duidelijk formuleert in De Morgen, al maakt het een debat niet zo simpel.

Couveuse-baby's

In 1991 brak de tweede Golfoorlog uit, tegen Irak, en ontspoorden de media op grote schaal. Ze werden haast unaniem een propagandamachine voor die oorlog tegen het "twee grootste leger ter wereld" van de "dictator Saddam". Nadien verscheen een rek vol met boeken, teksten, documentaires, ... van journalisten die "mea culpa" riepen: "We hebben ons laten vangen door de Amerikaanse propaganda", klonk het massaal en luid. Maar hebben die media echt bijgeleerd? Vandaag mogen we opnieuw een serie "mea culpa's" verwachten. De New York Times gaf zopas het voorbeeld. "We hebben een aantal verslagen gevonden die niet zo rigoreus waren als ze hadden moeten zijn", zo vat de hoofdredactie haar eigen onderzoek op 27 mei samen2.

Walter Pauli citeert één voorbeeld van een pijnlijke medialeugen uit ons boek, het verzonnen verhaal van de couveuse-baby's dat diende om de oorlog tegen Irak te verantwoorden. De Morgen pikte dit verhaal – gefabriceerd door het Public-Relations-bedrijf Hill&Knowlton – op, "want als er nieuws is, dan breng je nieuws, punt uit". Mogen we daar even bij aanstippen dat steeds meer journalisten de alomtegenwoordigheid van PR-bureaus een kwalijke zaak vinden. Het stond onlangs nog met evenveel woorden in een studie van de Nederlandse Vereniging voor Journalistiek3. Maar Pauli is zich van geen kwaad bewust voor hem is dat allemaal "hineininterpretieren". "Redacties doen in de eerste plaats hun job: berichten", zo schrijft hij, en nog: "we geven de laatste stand van zaken". Nochthans konden we op 29 mei lezen dat De Morgen al lang op de hoogte was van folteringen in Abu Ghraib, maar er niets over schreef, omdat het nieuws deze keer kwam van die onbetrouwbare Irakezen en niet van CNN.

Objectief

Eerlijk gezegd: hoe meer de media beweren dat ze "objectief" zijn hoe minder wij ze vertrouwen. Ze zijn namelijk voortdurend subjectief bezig. Het begint al wanneer ze kiezen wat ze brengen en wat niet. De media zouden dat beter zeggen, in plaats te beweren dat ze objectief zijn en zo hun publiek iets wijs te maken. In de wetenschappelijke wereld is het doodgewoon om de subjectiviteit van een onderzoek aan te geven door te wijzen op de invalshoek en de limieten van de gebruikte methoden. Ook media-activisten en journalisten zouden volgens ons aan hun lezers moeten duidelijk maken door welke bril ze naar de wereld kijken. Wie het weekblad Trends leest, weet dat het magazine het perspectief van een bedrijfsleider aanneemt. Dat is niet ons perspectief, maar op zijn minst is de keuze duidelijk. Wie De Morgen leest, denkt echter dat hij te maken heeft met een onafhankelijk dagblad, "het meest progressieve in Vlaanderen" aldus Walter Pauli. Maar is een medium niet pas onafhankelijk als het financieel onafhankelijk is? Met indymedia kozen we voor volledige financiële onafhankelijkheid. Daardoor zijn we eens zo afhankelijk geworden van onze lezers en hun bereidheid ons te steunen.

Propaganda

Een basiswerk om ontsporingen te begrijpen, is enkele jaren voor de Golfoorlog van '91 gepubliceerd. Het heet "Manufacturing Consent" en is geschreven door Noam Chomsky en Edward S. Herman. Daarin werken ze het propaganda-model uit: geen opsomming van uitschuivers en ontsporingen, maar een geheel van filters op de media, die de media maken tot wat ze zijn. Volgens onze analyse kan het propaganda-model vandaag - en nog méér dan 15 jaar geleden - dienen om te begrijpen waarom de media niet de vierde macht zijn of waakhond van de democratie zoals ze zelf zo graag beweren.

De meeste mediawerkers zijn geen domoren, manipulatoren, lafaards, ... Zo simpel ligt het niet. Daarop hebben Chomsky en Herman in '88 al gewezen. Ook al is dat de gangbare en gemakkelijkste verklaring voor de misstappen van de media.

Journalisten – een groepje baddies en omhooggevallen sterreporters daargelaten (zie het schandaal bij Amerika's grootste krant USA-Today) - zijn geen manipulators of gemanipuleerden.

De meeste mediawerkers proberen zo degelijk mogelijk werk te leveren, maar dan wel binnen de marges die hen worden opgelegd. Die marges zijn steeds enger en benauwender. Veel mediawerkers werken zich dan ook letterlijk te pletter. Tweederde van de journalisten bij Amerikaanse nationale media vindt dat de besparingen bij hun media de kwaliteit van hun verslaggeving ernstig schaadt (Pew)4.

Over de schouder

Bij de mainstream-media horen ze niet graag dat hun spreek- en werkmarge van hogerhand wordt ingeperkt. Walter Pauli van De Morgen bijvoorbeeld ontkent stellig dat uitgever Christian Van Thillo zich bemoeit met de inhoud van de krant. Pauli erkent wel dat de uitgever het het raam/het kader uitzet waarbinnen de krant functioneert. Maar waar ligt het verschil? Van Thillo staat niet over de schouder van elke redacteur te gluren, netzomin als de grote baas van Ford de arbeiders aan de lopende band op de vingers kijkt. Van Thillo stuurt zijn media wel strategisch, zodat ze zich positioneren voor de markt. Bij de voorstelling op 12 mei van de jaarresultaten van De Persgroep maakte hij nog volgende analyse: de selectieve kranten (De Tijd, De Morgen, De Standaard) ondervinden scherpe concurrentie van de audio-visuele media, omdat die meer nieuwsduiding en nieuwsshows brengen, en daarenboven "neemt de vrije tijd af in het segment" waarvoor deze kranten bedoeld zijn. De Persgroep omschrijft die doelgroep als de "jonge, hoogopgeleide, koopkrachtige en trendsettende stedelingen in Vlaanderen en Brussel”5. Kan De Morgen dan doen alsof Van Thillo niet gesproken heeft?

Nog een voorbeeld. Voor de website van Het Laatste Nieuws zegt Van Thillo: die mag veel minder content-driven zijn dan de sites van andere kranten. Dat betekent: er hoeft niet zoveel nieuws op te staan. De site staat wel vol "transactie-voorbereidende content" - de woorden van Christian Van Thillo - waar kopers van auto's en woningen hun gading vinden en met links naar Autozone.be en Immonet.be, die ook eigendom van De Persgroep zijn.

Van Thillo wordt onder de uitgevers erg geapprecieerd omwille van zijn managersaanpak. Media 2003 vroeg het Duitse media-concern Bertelsmann hem om lid te worden van de raad van bestuur.

Tegen die achtergrond is de evolutie van de laatste 10-15 jaar van een krant als De Morgen niet verwonderlijk. In plaats van de krant van een beweging (eerst de socialistische, dan die van de generatie van '68) is De Morgen een commercieel vehikel geworden dat zijn "progressief" imago gebruikt om adverteerders tot bij zijn doelgroep te brengen. Daarvoor moet de krant fatsoenlijk en binnen de marges blijven. Adjunct-hoofdredacteur Pauli zegt: "Ofwel houden media-activisten hun manieren, ofwel houden ze hun mond". Maar wat bedoelt Pauli met goeie manieren? Is dat spreken zoals dat binnen de elite gangbaar is? Pauli: "Ook de media gebruiken het dominante discours (...) als de media dat al niet meer mogen, wie dan wel".

Michael Moore

Nog over goeie manieren. Pauli noemt ons "de vriendjes van Michael Moore". Bedankt voor het compliment. Met Michael Moore zouden wij graag eens van gedachten wisselen over politiek engagement en journalistiek. Moore heeft heel wat energie gestoken in de verkiezingscampagne van de Amerikaanse generaal Wesley Clark, kandidaat van de Democrats. Wij hadden onze twijfels over de voorkeur van Moore; als NATO-chef coördineerde Clark in 1999 de bombardementen op ex-Joegoslavië. Maar voor Moore was hij de geknipte kandidaat voor het Witte Huis. Wij zouden vooral eens willen horen hoe Moore zo'n engagement verantwoordt en of hij het voor herhaling vatbaar vindt. Wij trokken uit onze ervaring met de RESIST-lijst in 2003 de les dat je best kunt kiezen tussen media-activisme of electoraal-activisme.


1Artikel werd overgenomen door www.kifkif.be

3Mirjam Prenger en Frank van Vree:

Schuivende grenzen. De vrijheid van de journalist in een veranderend medialandschap